ACTIEPUNTEN

 Hier vindt u de actiepunten voor de komende jaren. Deze zijn grotendeels gericht op de landelijke, Europese en internationale overheid. Ik hoop samen met maatschappelijke organisaties, burgers, boeren en het mkb te werken aan deze doelen, veel van deze bondgenoten vindt u onder links .
Alleerst komen de actiepunten aan de orde die ik samen met Stichting Vóór de Verandering opstelde in het voorjaar van 2010 in de aanloop naar de Tweede Kamer-verkiezingen.
Daarna vindt u de punten die ik 2002 opstelde, als toenmalig kandidaat voor de Tweede Kamer namens GroenLinks. Inmiddels heb ik deze partij als gevolg van een meer neoliberale koers, met pijn in mijn hart moeten verlaten.
Ook is pijnlijk te moeten constateren dat er op gebied van het oplossen van de sociale - en milieucrises eigenlijk sprake is van acht verloren jaren. Veel van de actiepunten uit 2002 gelden derhalve ook voor 2010.

Actiepunten voor de Tweede Kamer Verkiezingen 2010

In de aanloop naar de Tweede Kamer-verkiezingen op 9 juni 2010 heb ik namens Stichting Vóór de Verandering een aantal actiepunten op gebied van milieu, energie, klimaat, landbouw en internationale rechtvaardigheid opgesteld. Deze zijn aangevuld en verbeterd door de overige leden van de werkgroep.

De actiepunten zijn onderverdeeld in een aantal thema’s:

- Milieu en sociale rechtvaardigheid (algemeen)

- Landbouw, natuur en dierenwelzijn

- Energie en klimaat

- Een einde aan privatisering en liberalisering van basisbehoeften

- Internationale rechtvaardigheid

Inleiding
De actiepunten zijn in het voorjaar van 2010 aan alle politieke partijen verstuurd ter inspiratie voor hun verkiezingsprogramma’s. Deze verkiezingen boden een uitgelezen kans te komen met alternatieven die het hoofd bieden aan de huidige en toekomstige voedsel-, energie-, klimaat-, werkgelegenheids- en biodiversiteitscrises. Tot nu toe is die kans niet gepakt. Hoewel de financiële crisis schreeuwde om meer overheidsregulering, bleef deze uit. Het streven is nu zo snel mogelijk door te gaan met Business as Usual.
Bijvoorbeeld op gebied van de wereldhandel wordt vaak gezegd dat protectionisme slecht is. Maar waar is dat op gebaseerd? Protectionisme is ook uit te leggen uit het beschermen van alles van waarde tegen (de mythe) van de vrije wereldmarkt. Zoals mensenrechten, biodiversiteit, het levensonderhoud van boeren, voedselzekerheid en culturele diversiteit. Op een vrije wereldmarkt delven zijn allen het onderspit ten opzichte van het streven naar winst van aandeelhouders. De achterliggende neoliberale visie hierachter komt onder andere tot uiting in de EU-handelsstrategie Trade, Growth and World Affairs, die in december 2010 werd gepresenteerd door de Europese Commissie. De vier doelen van deze strategie zijn: toegang tot nieuwe markten, toegang tot grondstoffen en energie, bescherming van Europese investeringen en bescherming van intellectuele eigendomsrechten. Niet toevallig vier doelstellingen die naadloos overeen komen met de doelen van Europese multinationals.

Milieu en sociale rechtvaardigheid (algemeen)

• Duurzaamheid betekent een leefbare aarde met scherpe milieugrenzen als basis voor een economische en sociaal stabiele menselijke samenleving op lange termijn. Dit is ook de beste basis om toekomstige conflicten om hulpbronnen te voorkomen, juist deze conflicten zullen de komende eeuw in alle hevigheid toenemen naar verwachting. Dit alles betekent dat toekomstig beleid moet meehelpen aan het realiseren van de volgende voorwaarden voor een leefbare aarde:

- er ontstaan sluitende kringlopen van zoet water, mineralen in de landbouw en van grondstoffen in de industrie, dit voorkomt aan de ene kant uitputting en aan de andere kant vervuiling,
- energie wordt duurzaam opgewekt,
- de biodiversiteit van planten, dieren en micro-organismen blijft behouden.

Toelichting:
Dit legt het verband tussen de ecologische, sociale en economische dimensie van een duurzame ontwikkeling. Verder betekent het dat toekomstig beleid deze voorwaarden als toetssteen kan gebruiken, waardoor beleidsmaatregelen die averechts werken op deze voorwaarden, worden voorkomen.

• Er wordt gerekend met alternatief voor het huidige Bruto Binnenlands Product. De huidige berekeningen leiden er onder andere toe dat negatieve milieueffecten niet worden meegerekend. Ook gaat de huidige gerichtheid op welvaart en economische groei ten koste van het welzijn van huidige en toekomstige generaties. In plaats van te streven naar ‘ontwikkeling’ en economische groei zou het beter zijn te streven naar het voorzien in basisbehoeften op langere termijn. Een basisbehoeftebenadering zou er toe kunnen leiden dat  westerse ontwikkelingshulp, regio’s op de eerste plaats gaat helpen zoveel mogelijk zelfvoorzienend te worden wat betreft voedsel, water en energie. Dit past ook in de voorgestelde prioriteit van het WRR-rapport over ontwikkelingssamenwerking: zelfredzaamheid

• Versnelde vergroening in Nederland en de EU: minder belasting op arbeid (te beginnen met werkgeverslasten) en meer belasting op fossiele brandstoffen en verbruik van grondstoffen. De energiebelasting kan via een belasting op CO2 en/of een hogere accijns geïnd worden. Dit levert milieuwinst en werkgelegenheid op, ook is de technologie niet langer gericht op de uitstoot van ‘dure’ arbeiders, maar op het verminderen van het gebruik van fossiele brandstoffen en grondstoffen  Deze hervorming leidt er ook toe dat de productie en consumptie ook binnen vrije EU-grenzen zo dicht mogelijk bij elkaar plaatsvinden.

• Om de overconsumptie af te remmen worden lonen niet meer procentueel verhoogd (om de inflatie te corrigeren), maar in absolute aantallen. Mensen met een hoog en laag inkomen gaan er dan in zelfde mate op vooruit. Het voordeel voor bedrijven voor deze lagere loonkosten, wordt deels gecompenseerd door een hogere vennootschapsbelasting.

• Producenten zijn verantwoordelijk voor de milieubelasting en uitputting van hulpbronnen gedurende gehele levenscyclus, dus inclusief de grondstoffenwinning en de afvalfase, van hun producten.

Toelichting:
Veel verwerkende en industriële bedrijven leggen nu nog geen verantwoording af voor de fase van de grondstoffenwinning en primaire landbouwproductie. Juist de mijnbouw en exportlandbouw hebben vaak schadelijke effecten voor natuurlijke omgeving en plaatselijke bevolking.

De dominantie van de markt boven bindende overheidsregelgeving heeft er ook voor gezorgd dat het (multinationale) bedrijfsleven in plaats van het probleem, als deel van de oplossing wordt gezien. Via de zogenaamde Public Private Partnerships komen bedrijven en een enkele  maatschappelijke organisaties tot vrijwillige afspraken. Voorbeelden zijn de rondetafels voor soja en palmolie, en het Initiatief Duurzame Handel, allen gefinancierd door de Nederlandse overheid. Hoewel omgeven door veel overheidspropaganda hebben deze onderonsjes nauwelijks geleid tot enige vooruitgang. De kap van regenwouden en het omploegen van waardevolle natuurgebieden (zoals de Cerrado in Brazilië) gaat onverminderd voort. Nederlandse bedrijven spelen op het wereldtoneel een prominente rol als grote importeur, financier en/of bij de aanleg van exportinfrastructuur. Ook sloten Nederland en Brazilië een verdrag af om op grote schaal biobrandstoffen afkomstig van suikerriet te verhandelen.

De alarmbellen gaan echter nog niet af. Met behulp van organisaties als Solidaridad en het Wereld Natuur Fonds wordt de consument wijsgemaakt dat soja, palmolie en biomassa duurzaam geïmporteerd kunnen worden. Zou de mondiale voetafdruk worden geaccepteerd als criterium, dan wordt echter al snel duidelijk dat deze import per definitie onduurzaam is. In plaats van de voetafdruk te verlagen wordt deze verplaatst naar ontwikkelingslanden.

De consument die als scherprechter zou moeten optreden, krijgt door de volledige ontransparante voedselketen  - van bijvoorbeeld plantaardige olie - geen enkele mogelijkheid te kiezen voor een duurzaam product. Daarnaast ontbreekt de informatie: op de etiketten van dierlijke producten hoeft niet te worden vermeld dat deze tot stand zijn gekomen met behulp van genetisch gemanipuleerde soja of maïs. Nog belangrijker is dat slechts 6% van de consumenten bereid is meer te betalen voor een duurzamer product. De rest blijft kiezen voor de laagste prijs. Dit model is dus failliet. 

Naast bindende Europese en mondiale regelgeving op gebied van milieu en mensenrechten, is het nodig dat het handelsbeleid zo wordt hervormd dat er gewoon geen onduurzame of onrechtvaardige producten meer in de winkelschappen voorkomen. Zie voor details hieronder.

• De overheid richt zich op verdere bewustwording van de bevolking, om het consuminderen verder te bevorderen en uit het alternatieve circuit te halen. Ook zal deze bewustwording zich richten op energie- en waterbesparing, vermindering van autogebruik, aankoop van milieuvriendelijke producten en afvalpreventie. Een goede methoden zijn is bijvoorbeeld het (financieel) stimuleren van deelname aan ecoteams.

• In het onderwijs wordt duurzaamheid geïntegreerd in het lesprogramma. Hierbij wordt bereikt dat leerlingen een integrale visie ontwikkelen op de economische, sociale en ecologische dimensies die onderdeel uitmaken van een duurzame samenleving. Hetzelfde geldt voor onderzoek; er moet meer interdisciplinair duurzaamheidsonderzoek moeten worden uitgevoerd, waarbij economische haalbaarheid gekoppeld wordt aan gevolgen voor milieu en huidige en toekomstige generaties.

Toelichting: In het huidige onderwijsprogramma maar ook in de publieke opinie (wat hier ten dele het gevolg van is) wordt teveel de nadruk gelegd op de economie alleen, zonder daarbij rekening te houden met de negatieve gevolgen voor andere bevolkingsgroepen op aarde, natuur en milieu, en toekomstige generaties.

• Zelfvoorzienende lokale gemeenschappen zoals Transition Towns en woon-werkgemeenschappen worden verder (financieel) gestimuleerd. Zij bieden een antwoord op (mogelijke) toekomstige energie- en voedselschaarste, en bieden op sociaal gebied vele voordelen.

Landbouw, natuur en dierenwelzijn

• Uit economisch, sociaal en milieuoogpunt is het onwenselijk dat de handel in onbewerkte landbouwproducten geliberaliseerd wordt. Ook moet de teruggang van het aantal boeren in Europa en in ontwikkelingslanden worden gestopt. Binnen de WTO– of via een nieuw op te richten VN-handelsorganisatie - zou voedselsoevereiniteit maatgevend worden; landen mogen hun voedselproductie door eigen boeren via importheffingen en kwaliteitseisen beschermen tegen dumping. Ook het recht op kostendekkende prijzen aan de boer, de toegang tot land en zaden en de speciale aandacht voor vrouwen, vormen onderdeel van voedselsoevereiniteit. Zie voor meer informatie: http://www.choike.org/2009/eng/informes/1799.html

• Regio’s (zowel als deel van een land als continenten als de EU) zouden zoveel mogelijk zelfvoorzienend moeten worden op gebied van voedsel, veevoer, hout en textiel. Dus in plaats van de import van genetisch gemanipuleerde soja worden eiwitgewassen als lupine, erwten en veldbonen geteeld. Hennep, vlas, brandnetels en wol kunnen de import van de zeer milieuvervuilende en waterverbruikende katoen (deels) vervangen, en Europees hout – deels via agro-forestry – vervangt de import van hardhout. Dit levert grote voordelen op voor boeren, het Midden- en Kleinbedrijf, de voedsel- en energiezekerheid, het klimaat, de natuur en de schatkist. Er zijn echter ook enkele verliezers namelijk multinationals in handel en verwerking. Zij hebben echter nog steeds een te grote invloed op de politici en beleidsmakers, en dit beleid tot nu toe kunnen tegenhouden.

• Een uitzondering voor deze Europese zelfvoorziening vormen tropische voedselproducten die zoveel mogelijk via het fairtrade-principe moeten worden geproduceerd, waarbij VN (milieu)verdragen en ILO-verdragen (arbeid) en EU- en nationale wetgeving worden gerespecteerd. Boeren in ontwikkelingslanden krijgen dus een kostendekkende prijs, maar ook mag de teelt van deze exportgewassen niet ten koste gaan van de natuurlijke hulpbronnen en de voedselzekerheid (op lange termijn).

Toelichting: De huidige WTO-akkoorden leiden er vooral toe dat multinationals het recht krijgen markten open te breken, op zoek kunnen naar de goedkoopste grondstoffen, en dat hun investeringen en intellectuele eigendomsrechten beschermd worden. Milieu en  mensenrechten worden niet geaccepteerd als reden om de handel te beperken. Zo mocht de EU zich niet beschermen tegen hormoonvlees uit de Verenigde Staten, op straffe van financiële sancties. Naast multinationals profiteren vooral grootgrondbezitters van deze race to the bottom, terwijl de voedselzekerheid van kleine boeren en de lokale bevolking in gevaar komt. Ook leidt al dit gesleep met voedsel, veevoer en bloemen tot bodemdegradatie en wateruitputting in ontwikkelingslanden, fosfaatgebrek, mestoverschotten in het Westen, energieschaarste en een toename van het broeikaseffect.

• De exportsubsidies en inkomenstoeslagen voor Europese landbouwproducten worden afgeschaft. Boeren krijgen door het instellen van productiebeheersing voor agrarische producten (afgestemd op de EU-consumptie), en importheffingen op o.a. veevoer uit de VS en Latijns-Amerika weer een kostendekkende prijs. Tevens worden de kwaliteitseisen op gebied van milieu, voedselzekerheid en -veiligheid en dierenwelzijn op een hoger niveau geharmoniseerd binnen de EU. Boeren die bovenop deze verhoogde eisen, extra inspanningen op gebied van milieu (b.v. biologische landbouw), en/of plattelands- of natuurbeheer verrichten, krijgen hiervoor een kostendekkende betaling (groene diensten).
De laagste inkomensgroepen worden indien nodig gecompenseerd voor een hogere voedselprijs. Dit kan echter meevallen doordat o.a. door de grote concentratie in multinationale verwerkende industrie en (detail)handel, er momenteel een groot verschil bestaat tussen boerenprijs en consumentenprijs.

Toelichting: Door deze maatregelen wordt het best voldaan aan maatschappelijke eisen, kan het EU-landbouwbudget drastisch dalen, wordt voorkomen dat met name boeren in ontwikkelingslanden worden weggeconcurreerd en wordt ook aan kleine en middelgrote boeren in de EU (inclusief de toekomstige lidstaten) een toekomstperspectief geboden.

• De werkgelegenheid in de kleinschalige lokale landbouw in de nieuwe EU-lidstaten wordt extra beschermd, omdat deze veelal met lage inputs van chemicaliën en met behoud van het karakteristieke landschap produceert. De fouten die gemaakt zijn tijdens de schaalvergroting in West-Europa mogen niet nogmaals gemaakt worden. Hiertoe dienen dus dezelfde kostendekkende prijs en vergoedingen voor groene diensten worden betaald, als aan boeren in West-Europese lidstaten. Ook wordt hiermee voorkomen dat mensen gedwongen worden naar de stad of naar West-Europa te migreren. Tevens dienen de door de agribusiness opgelegde voedselhygiene-eisen – die kleine boeren van hun lokale markten verdrijven – te worden aangepast aan de lokale situatie.

Toelichting: De EU-uitbreiding gaat gepaard met een groot verlies aan kleine landbouwbedrijven en dus werkgelegenheid. Vooral in de landbouw zal dit betekenen dat nu kleinschalige biologische landbouw wordt vervangen door grootschalige milieuvervuilende landbouw die niets overlaat van het huidige landschap en de leefbaarheid van het platteland ernstig bedreigt.

• Het verwerken van diermeel in veevoer wordt weer toegestaan in voer dat bestemd is voor varkens en pluimvee. Het verbod op verwerking van diermeel leidt tot gebreksverschijnselen bij varkens en pluimvee, verbranding van hoogwaardige eiwitten, overbevissing (voor vismeel) en een toename van genetisch gemanipuleerd soja in het veevoer.

Toelichting:
Het niet verwerken van diermeel is strijdig met de kringloopgedachte. BSE wordt niet verspreidt via varkens en kippen, wat in tegenstelling tot runderen en schapen omnivoren zijn. Ook zijn er zoveel waarborgen ingebouwd in het slachtproces dat risicovolle delen van dieren en zieke dieren absoluut niet meer kunnen worden verwerkt in veevoer.

• De toepassing van genetische manipulatie in gewassen en bij dieren wordt verboden. Ook wordt er een gentech-vrije voedselketen ontwikkeld.

Toelichting: Aan genetische manipulatie zijn vele negatieve effecten en risico's voor milieu en volksgezondheid verbonden. Ook profiteren vooral internationale zaadbedrijven en bestrijdingsmiddelenfabrikanten van deze toepassing. Kleine boeren raken in een afhankelijke positie door koppelverkoop van zaden en bestrijdingsmiddelen, en krijgen vaak te maken met onhoudbare schulden. In Latijns Amerika worden op grote schaal inheemse volkeren en kleine boeren van hun grond verdreven om plaats te maken voor Round Up Ready-soja.
De voedselzekerheid wordt dus op een negatieve manier beïnvloed door genetische manipulatie, daarbij stijgt het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen (bij resistentie). Dit alles in tegenstelling tot wat de voorstanders beweren.

• Import, handel en bezit van in het wild gevangen dieren wordt verboden. De handhavingscapaciteit van de Algemene InspectieDienst wordt uitgebreid, terwijl ook het Landelijk Team van de AID in ere wordt hersteld. Import, handel en bezit van gekweekte dieren wordt aan strenge vergunningseisen onderworpen.

Energie en klimaat

* De biobrandstoffenrichtlijn van de EU moet van tafel, omdat deze leidt tot een grootschalig beslag op landbouwgronden in ontwikkelingslanden. Met het oog op de al veel te hoge ecologische voetafdruk van Europeanen, bestaat er namelijk geen duurzame import van biomassa. Op het moment is er op zeer brede schaal een landgrab in ontwikkelingslanden gaande waarbij de armsten en meest kwetsbaren voor klimaatverandering, ook nog eens van hun grond verdreven worden en/of de laatste natuurgebieden worden omgezet in monoculturen. De mythe van eindeloze marginale gronden moet nu eindelijk eens worden doorgeprikt. Deze gronden zijn namelijk in gebruik als natuurgebied, extensief landbouwgebied en/of graasgebied voor herders. Deze boeren en herders ontberen echter de benodigde formele landrechten.

Eventueel kan er wel sprake zijn van Europese biomassaproductie, maar pas als Europa eerst zoveel mogelijk zelfvoorzienend is geworden voor nog meer eisende behoeften als voedsel, veevoer, hout en textiel (zie hiervoor). Is er dan nog ruimte over - wat zeer twijfelachtig is bij de huidige vleesconsumptie - en/of betreft het afvalstromen zoals biogas dan kan die worden ingezet voor biomassa.

 

De benodigde forse daling van gebruik van fossiele brandstoffen binnen het transport kan alleen bereikt worden via een drastische inperking van het autoverkeer, vliegverkeer en zeevaart. Dit kan via een Europese verhoging van de accijnzen aan de pomp met twee Euro per liter, of via een stevige Europese CO2-tax die hetzelfde prijsverhogende effect heeft. Niet het recht op een auto moet maatgevend worden maar het recht op mobiliteit. Dit is zeker in dichtbevolkte gebieden als de Randstad mogelijk via een drastische uitbreiding van het openbaar vervoer (mogelijk gemaakt door genoemde accijnzen of CO2-heffing), dit kan deels privaat via frequent rijdende minibusjes.

Dit alternatief van hogere accijnzen betekent tevens dat de discussie over de huidige voorstellen tot kilometerheffing wel kunnen stoppen.

 

Er is overigens nog geen zicht op het begin van de benodigde energietransitie binnen vlieg- en zeeverkeer. Deze transitie staat zowel binnen de klimaatonderhandelingen als binnen de EU op een zeer laag pitje. Naast de eerder genoemde accijnzen en/of CO2-heffing, is ook hiervoor de eerder genoemde hervorming van het vrijhandelsbeleid een alternatief. De daaruit volgende regionalisering van genoemde basisproducten binnen continenten (zoals de EU, de VS, India, delen van Afrika) , zal het mondiale transport in de lucht en over zee namelijk enorm terugdringen.

• Er wordt een Feed in tarief ingevoerd (vergelijkbaar met Duitsland), de gebruikers van elektriciteit die tot stand komt via fossiele brandstoffen, betalen een heffing die gebruikt wordt om een vaste hoge prijs aan producenten van duurzame energie te betalen, gedurende 25 jaar. Dit is veel effectiever en goedkoper dan de huidige onbetrouwbare subsidies voor duurzame energie.

• Producenten van duurzame energie krijgen gegarandeerd toegang tot het elektriciteitsnet, en voorrang boven elektriciteitsproducenten op basis van fossiele energie.

• Binnen drie jaar moeten alle sociale huurwoningen geïsoleerd zijn; grotendeels betaald door de rijksoverheid. Dit levert werkgelegenheid op en een enorme energiebesparing.

• Geen overheidsinvesteringen in snelwegen, havens en vliegvelden meer. Dit zijn namelijk subsidiestromen die ten goede komen aan bedrijven die zich richten op import en export, en een ongelijke concurrentie betekenen voor bedrijven die zich richten op de lokale en nationale markt. Het vrijkomende geld wordt gestoken in openbaar vervoer.

• Omdat afspraken over ecotaxen op fossiele brandstoffen en/of CO2-heffingen mondiaal veel moeilijker tot stand komen dan nationaal of internationaal, zou de prioriteit bij een drastische hervorming van het vrijhandelsbeleid moeten liggen. Dit betreft zowel de WTO als de bilaterale en regionale handelsverdragen. Het doel is dat
landen of regio´s als de EU zoveel mogelijk zelfvoorzienend op gebied van basisbehoeften als voedsel, veevoer, energie, textiel en hout.

Dit kan via importheffingen, productiebeheersing, grondstoffenovereenkomsten en ecotaxen binnen de EU (of eventueel mondiaal, hoewel niet op de agenda in Kopenhagen). Deze leiden er toe dat de consument prijzen betaald die alle milieukosten bevatten. Ook uit rechtvaardigheid zijn deze hervormingen noodzakelijk, omdat westerse bedrijven (via de WTO) niet langer de wereld kunnen afstropen op zoek naar de goedkoopste grondstoffen ten koste van steeds schaarser wordende natuurlijke hulpbronnen in ontwikkelingslanden. En tevens niet langer hun lokale markten kunnen verstoren.
Zie voor meer informatie (o.a. de voordelen) van dit alternatief: Regionalisering als alternatief voor neoliberale globalisering – Beleid en Praktijk ­ - Vóór de Verandering (2008) (down te loaden via www.globalternatives.nl/publicaties)


  Dit kan gekoppeld worden aan de principes van voedsel- en energiesoevereiniteit (zie hiervoor), wat betekent dat landen het recht krijgen in hun eigen voedsel- en energie ´mogen´ voorzien.
Deze begrippen werden tijdens de klimaattop breed gesteund door maatschappelijke organisaties en sociale bewegingen, zoals de internationale boerenbeweging Via Campesina.
Volgens Via Campesina zou – via het herstellen van de organische stof in de bodem (20 tot 35%), afschaffen van de industriële vleesproductie en herstel van gemengde bedrijven (5 tot 9%), productie voor lokale markten i.p.v. voor de wereldmarkt (10 tot 12%), en een moratorium op het vernietigen van bossen en andere natuurgebieden voor het aanleggen van landbouwgrond (15 tot 18%) – in totaal de helft tot driekwart van de huidige broeikasgassen gereduceerd kunnen worden. Zie: Small scale sustainable farmers are cooling down the Earth,  Via Campesina (december 2009)

Zie:http://www.viacampesina.org/main_en/index.php?option=com_content&task=view&id=457&Itemid=37,  www.grain.org/go/climatecrisisrefs  en www.viacampesina.org/main_en/index.php?option=com_content&task=view&id=281&Itemid=38

Zie ook het artikel op de website van De Groene Amsterdammer over dit onderwerp: http://www.groene.nl/lezerspost/2009-12-10/geen-klimaatoplossing-zonder-een-drastische-hervorming-van-de-handelsverdragen

* Volgens Bill McKibben, oprichter van de wereldwijde beweging www.350.org ,  moet binnen vijf jaar de uitstoot drastisch gereduceerd worden om er voor te zorgen dat de gemiddelde temperatuur met niet meer dan 1,5 graden Celsius te stijgt. Daarboven kan onherstelbare klimaatverandering optreden. Vertaald in CO2-concentratie betekent 1,5 gr. dat de concentratie niet hoger dan 350 ppm mag zijn, terwijl deze nu al 380 ppm is. Volgens McKibben zou een uitvoering van de tijdens de COP15 door verschillende landen genoemde reductiedoelstellingen leiden tot 770 ppm. Het westen met Europa voorop dient dus het goede voorbeeld te geven en te zorgen dat de uitstoot van broeikasgassen met 40% in 2020.

De voorstellen hiervoor gedaan bieden hiervoor een goed startpunt.
Dat betekent dat binnen de huidige klimaatonderhandelingen valse oplossingen als een internationale CO2-emissiehandel, en het Clean Development Mechanism van tafel kunnen. Het Westen dient zelf haar broeikasgassen te reduceren en dit niet af te schuiven op (de armsten) ontwikkelingslanden die toch al de grootste schade van klimaatverandering ondervinden. Dus geen aanleg van monoculturen van bomen, biobrandstoffen en genetisch gemanipuleerde soja in ontwikkelingslanden omdat deze CO2 zouden opslaan. Dit zijn schijnoplossingen die onder druk van lobby van de agribusiness tot stand zijn gekomen, maar die het probleem alleen maar verergeren.

Zie ook van Friends of the Earth: Why it´s suicide to base our future on suicide (http://solveclimate.com/blog/20090910/friends-earth-why-its-suicide-base-our-future-offsets) en A dangerous distraction www.foe.co.uk/resource/briefing_notes/dangerous__distraction.pdf), en Cheating the atmosphere van Greenpeace: http://www.greenpeace.org/eu-unit/press-centre/policy-papers-briefings/cheating-the-atmosphere-16-11-09

 

* Het is noodzakelijk dat het Westen meebetaalt aan de schade door klimaatverandering in ontwikkelingslanden. Het bod dat op tafel ligt is echter veel te laag, en wordt ook nog eens deels opgebracht door het Clean Development Mechanism en privaat geld. Verder dreigt de Wereldbank betrokken te worden bij de uitgifte van het geld en dreigt corruptie waardoor het geld niet bij de armsten terecht komt. Het kan uiteindelijk zo uitpakken dat het geld vooral besteed wordt aan dure westerse technologieën die geen oplossing blijken, maar die westerse bedrijven wel miljarden opleveren.

Een einde aan privatisering en liberalisering van basisbehoeften

• Basisbehoeftes als (voedsel zie vorige punt), drinkwater- en energievoorziening, zorg, huisvesting en onderwijs blijven een zaak van nationale overheden, en moeten dus niet worden geprivatiseerd en in het ergste geval worden geleverd door multinationals. Deze diensten worden dus ook niet geliberaliseerd via een nieuw akkoord binnen de WTO; het zogenaamde GATS-verdrag.

Toelichting: Binnen nationaal en internationaal beleid overheerst het neoliberalisme. Deze maatschappijvisie heeft er toe geleid dat steeds meer basisbehoeftes zouden moeten worden geleverd door de markt, in plaats van als publieke dienstverlening door de overheid. Dit heeft onder andere tot gevolg dat de armste mensen met minder koopkracht steeds minder toegang krijgen tot deze voorheen publieke diensten.
Voorbeelden en alternatieven:

• Door de privatisering van woningbouwcoöperaties, worden mensen in laagste inkomensklassen gedwongen om hun goedkope huurhuizen te verlaten in verband met stadsvernieuwing. Voor de winst nastrevende woningbouwcoöperaties zijn koophuizen voor de middenklasse namelijk interessanter dan de (lage) huur van de laagste inkomensklassen. De verloedering die aan sloop vooraf gaat is een direct gevolg van dit neoliberale beleid.

• Door de liberalisering van de energiemarkt hebben we tegenwoordig te maken met kernenergiestroom uit Frankrijk en bruinkoolstroom uit Duitsland. Nederlandse energiemaatschappijen vallen in buitenlandse handen, en de Nederlandse overheid is haar zeggenschap kwijt. Men kan hierdoor geen vaste percentages duurzame energie meer opleggen.
Deze privatisering zou zo mogelijk moeten worden teruggedraaid.

• De marktwerking binnen de gezondheidszorg leidt tot hogere ziektekosten voor de minst draagkrachtigen. Ook wordt het basispakket steeds verder uitgehold. Mensen hebben dezelfde gezondheidsbehoeftes en moeten gelijke toegang tot gezondheidszorg krijgen en behouden, waarbij de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen. Het streven naar winst kan niet samen gaan met gezondheidszorg.

Internationale rechtvaardigheid

Het WRR-rapport over ontwikkelingssamenwerking erkent dat door illegale financiële transacties, het bestaan van belastingparadijzen, belastingontduiking en transfer pricing van multinationals (meer dan de helft van de internationale handel vindt plaats binnen bedrijven) ontwikkelingslanden een bedrag mislopen dat een veelvoud is van de hulp die mondiaal gegeven wordt.

Deze misstanden moeten dus snel worden opgeheven, en hier ligt één van de prioriteiten om te komen tot internationale rechtvaardigheid.

De Europese intenties over policy coherence blijken naar de achtergrond gedrongen bij de onderhandelingen van Europa met 77 arme landen over de vernieuwing van handelsakkoorden in de vorm van Economic Partnership Agreements (EPA’s). Veel ACP-landen en NGO’s hadden kritiek op de opstelling van de EU in de onderhandelingen, onder meer omdat ontwikkelingslanden onder (tijds)druk werden gezet om akkoord te gaan, de EU de onderhandelingen wilde verbreden met onderwerpen die verdergaan dan de WTO-verdragen (vrijmaken dienstenhandel en zogenoemde Singapore issues op het gebied van mededingingsbeleid, buitenlandse investeringen, aanbestedingen en het faciliteren van handel), de EU een inperking wilde van de mogelijkheid voor ACP-landen om export te belasten, terwijl dat voor de overheidsinkomsten van deze landen van belang is, en de eu de mogelijkheid voor ACP-landen om economische sectoren te beschermen (infant industry clauses) wilde inperken.

Deze EPA-onderhandelingen en andere onderhandelingen om te komen tot bilaterale en regionale vrijhandelsverdragen dienen drastisch hervormd te worden. Evenals de EU heeft ook Afrika het meeste baat bij regionale zelfvoorziening middels bescherming van markten. Dit in plaats van haar steeds schaarser worden natuurlijke hulpbronnen in de uitverkoop te doen en haar markten te laten overspoelen met Chinese en Europese producten. Zowel op gebied van landbouw als industrie verliest met de slag op de wereldmarkt. Daarbij moet een typisch ontwikkelingsland alleen al 150 miljoen dollar uitgeven om te kunnen voldoen aan de eisen die de WTO aan lidstaten stelt op het punt van douane, fytosanitaire en gezondheidsmaatregelen, en intellectuele eigendomsrechten. Voor veel landen overtreft dit het budget voor ontwikkeling in een heel jaar.

• De schulden van de armste landen worden kwijtgescholden, waarbij tevens de ecologische schuld - voor eeuwenlange plundering van natuurlijke hulpbronnen - wordt vereffend. De vrijkomende gelden moeten wel worden ingezet in armoedebestrijding en een duurzame ontwikkeling (waaronder het omgaan met de negatieve gevolgen van klimaatverandering). Aan schuldkwijtschelding mogen geen voorwaarden als liberalisering en privatisering worden verbonden. Het doel is dat landen op eigen benen kunnen staan, en zo veel mogelijk zelfvoorzienend kunnen zijn in eigen basisbehoeften als voedsel en energie.
Toelichting: Ondanks vele jaren van campagne zitten veel ontwikkelingslanden nog met onhoudbare schuldenlasten.

• Exportkredieten aan Nederlandse bedrijven worden alleen nog maar verschaft indien men ontwikkelingsrelevante goederen of diensten exporteert, die bijdragen aan een duurzame ontwikkeling. Tevens dient de Kamer inzicht te krijgen in de transacties waarbij exportkredieten zijn verstrekt.

Toelichting: Het is een schande dat de schuldenlasten van ontwikkelingslanden nog steeds oplopen via exportkredieten, wanneer deze producten en diensten betreffen die niet bijdragen aan een duurzame ontwikkeling van de ontwikkelingslanden. Alleen het bedrijfsleven in de ontwikkelde landen profiteert hiervan.

• Om de slagvaardigheid van de VN te vergroten ten opzichte van organisaties als WTO, IMF en Wereldbank krijgt de Algemene Vergadering de bevoegdheid om economische sancties op te leggen, als internationale milieu- en sociale verdragen niet worden nageleefd.
Toelichting: Juist het ontbreken van deze sanctiemogelijkheid beperkt de daadkracht van de VN ten opzichte van bijvoorbeeld de WTO die deze bevoegdheid wel heeft

• De Wereldbank stopt met het financieren van projecten die niet voldoen aan duurzaamheidseisen en armoedebestrijding, onder meer in de mijnbouw, fossiele brandstofwinning, exportlandbouw en waterdamprojecten.

Toelichting: Doordat de Wereldbank leningen verstrekt in deze vaak desastreuze projecten voor lokale bevolking en natuur, worden private banken en multinationals gestimuleerd ook aan deze projecten deel te nemen. Vaak is deelname van de Wereldbank zelfs voorwaarde voor hun deelname. In plaats van bij te dragen aan armoedebestrijding werken deze projecten armoede vaak in de hand doordat de plaatselijke bevolking gedwongen wordt haar grondgebied te verlaten, en zich in sloppenwijken of (voormalige) natuurgebieden te vestigen.

• Toegang voor ontwikkelingslanden tot de westerse markten moet zich meer richten op bewerkte producten. Juist deze producten leveren door hun hogere toegevoegde waarde een hogere bijdrage aan de lokale economieën dan producten in de primaire sector.
Toelichting: Deze landen hebben juist in deze bewerkte producten een concurrentievoordeel door hun lage loonkosten. De markten voor juist deze producten worden afgeschermd door de westerse landen, uit angst werkgelegenheid te verliezen. Ook hebben ontwikkelingslanden al jaren te maken met een ruilvoetverslechtering, zij krijgen lage prijzen voor hun primaire producten en moeten steeds meer betalen voor door hen geïmporteerde bewerkte producten.

• De conditie binnen Structurele Aanpassingsprogramma's van de Wereldbank en het IMF dat ontwikkelingslanden hun markt niet mogen afschermen tegen buitenlandse concurrentie, verdwijnt.
Toelichting: Noordelijke landen hebben economisch kunnen groeien doordat zij wel hun eigen markten en industrie konden afschermen tegen buitenlandse concurrentie. Dit gebeurt nog steeds overigens. Ontwikkelingslanden die onder invloed van Structurele Aanpassings Programma's van Wereldbank en IMF staan worden echter gedwongen hun markten open te stellen voor westerse producten.

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Actiepunten - versie 21-10-2002

De komende jaren wil ik op een aantal terreinen een aantal actiepunten nastreven. Dit wil ik zowel door beinvloeding van overheid, burgers en bedrijven bereiken, samen met anderen die u onder andere bij de links kunt vinden. Deze actiepunten heb ik onder andere opgesteld als advies en/of amendement aan de programmacommissie van GroenLinks, in verband met de Tweede Kamerverkiezingen in 2002. De actiepunten zijn onderverdeeld over de volgende terreinen:

- Milieu en duurzaamheid
- Landbouw, natuur en dierenwelzijn
- WTO en (inter)nationaal (handels)beleid; een einde aan privatisering en liberalisering van basisbehoeftes
- Internationale solidariteit en conflictpreventie

Milieu en duurzaamheid

• Duurzaamheid betekent een leefbare aarde als basis voor een economische en sociaal stabiele menselijke samenleving op lange termijn. Dit is ook de beste basis om toekomstige conflicten om hulpbronnen te voorkomen, juist deze conflicten zullen de komende eeuw in alle hevigheid toenemen naar verwachting. Dit alles betekent dat toekomstig beleid moet meehelpen aan het realiseren van de volgende voorwaarden voor een leefbare aarde:
- er ontstaan sluitende kringlopen van zoet water, mineralen in de landbouw en van grondstoffen in de industrie, dit voorkomt aan de ene kant uitputting en aan de andere kant vervuiling,
- energie wordt duurzaam opgewekt,
- de biodiversiteit van planten, dieren en micro-organismen blijft behouden.
Toelichting: Dit legt het verband tussen de ecologische, sociale en economische dimensie van een duurzame ontwikkeling. Verder betekent het dat toekomstig beleid deze voorwaarden als toetssteen kan gebruiken, waardoor beleidsmaatregelen die averechts werken op deze voorwaarden, worden voorkomen.

• Producenten zijn verantwoordelijk voor de milieubelasting en uitputting van hulpbronnen gedurende gehele levenscyclus, dus inclusief de grondstoffenwinning en de afvalfase, van hun producten.
Toelichting: Veel verwerkende en industriële bedrijven leggen nu nog geen verantwoording af voor de fase van de grondstoffenwinning en primaire landbouwproductie. Juist de mijnbouw en exportlandbouw hebben vaak schadelijke effecten voor natuurlijke omgeving en plaatselijke bevolking.

• De overheid richt zich op verdere bewustwording van de bevolking, om het consuminderen verder te bevorderen en uit het alternatieve circuit te halen. Ook zal deze bewustwording zich richten op energie- en waterbesparing, vermindering van autogebruik, aankoop van milieuvriendelijke producten en afvalpreventie. Een goede methoden zijn is bijvoorbeeld het (financieel) stimuleren van deelname aan ecoteams.
Toelichting: Alleen financiële prikkels zijn niet genoeg om blijvend menselijk gedrag te veranderen. Mensen moeten via bewustwording door de overheid en maatschappelijke organisaties, ook een 'probleem' met hun geweten of sociale omgeving, krijgen voordat ze worden aangezet tot gedragsverandering.

• In het onderwijs wordt duurzaamheid geïntegreerd in het lesprogramma. Hierbij wordt bereikt dat leerlingen een integrale visie ontwikkelen op de economische, sociale en ecologische dimensies die onderdeel uitmaken van een duurzame samenleving. Hetzelfde geldt voor onderzoek; er moet meer interdisciplinair duurzaamheids-onderzoek moeten worden uitgevoerd, waarbij economische haalbaarheid gekoppeld wordt aan gevolgen voor milieu en huidige en toekomstige generaties.
Toelichting: In het huidige onderwijsprogramma maar ook in de publieke opinie (wat hier ten dele het gevolg van is) wordt teveel de nadruk gelegd op de economie alleen, zonder daarbij rekening te houden met de negatieve gevolgen voor andere bevolkingsgroepen op aarde, natuur en milieu, en toekomstige generaties.

• Er wordt een (financieel) stimuleringsprogramma ontwikkeld om tot een duurzame economie te komen. Voorbeelden hiervan zijn de ontwikkeling van duurzame technologien, kennis en informatie- en communicatietechnologie en zelfvoorzienende (streekeigen) landbouw en woon-werkprojecten.
Toelichting: Hiermee kan Nederland toch een economische groei handhaven, vooral als men probeert een voorloper te worden. Vooral regionale en zelfvoorzienende economien kunnen er voor zorgen dat ook sociale en ecologische aspecten centraal komen te staan.

• Er wordt gestreefd naar de berekening van een groen Bruto Nationaal Product, waardoor negatieve milieueffecten een negatieve in plaats van een positieve invloed hebben op dit BNP. Ook de economische groei moet op basis van dit principe berekend worden.

Landbouw, natuur en dierenwelzijn

• De teruggang van het aantal boeren moet worden gestopt, dit komt het landschapsbeheer en de leefbaarheid op het platteland ten goede. Hiervoor is het onder andere noodzakelijk dat de mogelijkheden voor verbrede landbouw worden uitgebreid. Mogelijkheden naast de productiefunctie zijn: steekeigen productie, zorgboerderijen, verkoop aan huis, agrotoerisme, opwekking van duurzame energie, waterberging, natuur- en landschapsbeheer.

• Binnen de EU worden voedselveiligheids-, milieu en dierenwelzijnsnormen op een hoger niveau geharmoniseerd. Producten die door de detailhandel worden verkocht, voldoen aan dezelfde hoge eisen die nationale regeringen aan hun eigen boeren opleggen. Dit stimuleert een omslag in de landbouw in de gehele EU, en stimuleert de eigen boeren om deze omslag ook te maken.
Toelichting: Door de internationale detailhandel zijn Eurep-GAP-normen opgesteld, die inhouden dat de producten die zij uit andere landen inkopen moeten voldoen aan de normen van het land van herkomst, maar dus niet aan het land van bestemming. Hierdoor wordt in de hand gewerkt dat de detailhandel de producten zo goed mogelijk koopt in andere landen, dat deze producten kwalitatief minder zijn dan de producten uit eigen land, en dat boeren die een kwalitatief hoog product maken worden weggeconcurreerd.

• Het verwerken van diermeel in veevoer wordt weer toegestaan in voer dat bestemd is voor varkens en pluimvee. Het verbod op verwerking van diermeel leidt tot gebreksverschijnselen bij varkens en pluimvee, verbranding van hoogwaardige eiwitten, overbevissing en verwerking van extra genetisch gemanipuleerd soja in het veevoer. Ook is de prijs van het veevoer gestegen, en de verkoopprijs van dieren gedaald door dit verbod.
Toelichting: Het niet verwerken van diermeel is strijdig met de kringloopgedachte. BSE wordt niet verspreidt via varkens en kippen, wat in tegenstelling tot runderen en schapen omnivoren zijn. Het blijkt zelfs dat kippen gebreksverschijnselen vertonen en kannibalisme toepassen omdat ze essentiële voedingsstoffen missen. Ook zijn er zoveel waarborgen ingebouwd in het slachtproces dat risicovolle delen van dieren en zieke dieren absoluut niet meer kunnen worden verwerkt in veevoer. De risico's voor de gezondheid van genetisch gemanipuleerd veevoer worden beperkt door het opheffen van dit verbod.

• Import handel en bezit van in het wild gevangen dieren wordt verboden. De handhavingscapaciteit van de Algemene InspectieDienst wordt uitgebreid, terwijl ook het Landelijk Team van de AID in ere wordt hersteld. Import, handel en bezit van gekweekte dieren wordt aan strenge vergunningseisen onderworpen.
Toelichting: Het kan niet zo zijn dat de natuur wordt leeggeplunderd en diersoorten bedreigd worden, omdat mensen hier een exotisch dier in een kooitje willen houden. Maatschappelijke organisaties uitten kritiek dat door de opsplitsing van het landelijke team in regionale teams veel specialistische kennis verloren is gegaan. Ook is de handhavingscapaciteit al jaren laag, zeker vergeleken met de prominente plaats die Nederland inneemt in deze lucratieve illegale internationale handel in exoten, en vergeleken met de handhavingscapaciteit bij de handel in verboden verdovende middelen.

• De toepassing van genetische manipulatie in gewassen en bij dieren wordt verboden. Ook wordt er een gentech-vrije voedselketen ontwikkeld.
Toelichting: Aan genetische manipulatie zijn vele negatieve effecten en risico's voor milieu en volksgezondheid verbonden. Ook profiteren vooral internationale zaadbedrijven en bestrijdingsmiddelenfabrikanten van deze toepassing. Kleine boeren raken in een afhankelijke positie door deze toepassing. Mondiale voedselzekerheid wordt op een negatieve manier beinvloed door genetische manipulatie, brede toepassing van gewassen en biologische bestrijding levert een veel betere bijdrage. Ook moeten er sociaal-economische in plaats van technologische veranderingen plaatsvinden om honger de wereld uit te helpen.

• Zie voor landbouw ook WTO en internationaal handelsbeleid.

WTO en (inter)nationaal (handels)beleid; een einde aan privatisering en liberalisering van basisbehoeftes

• Uit economisch, sociaal en milieuoogpunt is het onwenselijk dat de handel in onbewerkte landbouwproducten geliberaliseerd wordt. Binnen de WTO-onderhandelingen moet het begrip voedselsoevereiniteit maatgevend worden; landen mogen hun landbouwsector via importheffingen en kwaliteitseisen beschermen tegen dumping en kwalitatieve importen. Zowel voor de boeren als de lokale bevolking in Noord en Zuid is het het beste als voedsel zoveel mogelijk regionaal wordt geteeld. Een uitzondering kan gemaakt worden voor tropische (voedsel)producten die zoveel mogelijk via het fairtrade-principe moeten worden geproduceerd, waarbij VN (milieu)verdragen en ILO-verdragen (arbeid) en EU- en nationale wetgeving worden gerespecteerd. Boeren in ontwikkelingslanden krijgen dus een kostendekkende prijs, maar ook mag de teelt van deze exportgewassen niet ten koste gaan van de natuurlijke hulpbronnen en de voedselzekerheid (op lange termijn).
Toelichting: Het enige doel van de WTO is om handelsbelemmeringen weg te halen, dit blijkt uit het verbod om hormoonvlees tegen te mogen houden en het mogelijk verbod op labeling van duurzaam gekapt hardhout en genetisch gemanipuleerd voedsel. Van de productie en handel in onbewerkte landbouwproducten profiteren vooral eigenaars van grootschalige plantages in monocultuur, handelaren en multinationals, niet de kleine boeren en de lokale bevolking waarvan de voedselzekerheid in gevaar komt. Ook leidt al dit gesleep met voedsel, veevoer en bloemen tot bodemdegradatie en wateruitputting in ontwikkelingslanden, mestoverschotten in het Westen en een toename van het broeikaseffect.

• De exportsubsidies en inkomenstoeslagen voor Europese landbouwproducten worden afgeschaft. Boeren krijgen door het instellen van productiebeheersing voor agrarische producten (afgestemd op de EU-consumptie), en importheffingen op o.a. veevoer uit de VS en Latijns-Amerika weer een kostendekkende prijs. Tevens worden de kwaliteitseisen op gebied van milieu, voedselzekerheid en -veiligheid en dierenwelzijn op een hoger niveau geharmoniseerd binnen de EU. Boeren die bovenop deze verhoogde eisen, extra inspanningen op gebied van milieu (b.v. biologische landbouw), en/of plattelands- of natuurbeheer verrichten, krijgen hiervoor een kostendekkende betaling (groene diensten). Deze maatregelen gaan ook gelden voor toekomstige EU-lidstaten. De laagste inkomensgroepen worden indien nodig gecompenseerd voor een hogere voedselprijs. Dit kan echter meevallen doordat o.a. door de grote concentratie in multinationale verwerkende industrie en (detail)handel, er momenteel een groot verschil bestaat tussen boerenprijs en consumentenprijs.
Toelichting: Door deze maatregelen wordt het best voldaan aan maatschappelijke eisen, kan het EU-landbouwbudget drastisch dalen, wordt voorkomen dat met name boeren in ontwikkelingslanden worden weggeconcurreerd en wordt ook aan kleine en middelgrote boeren in de EU (inclusief de toekomstige lidstaten) een toekomstperspectief geboden.

• Bij de uitbreiding van de EU wordt binnen deze landen de werkgelegenheid in de kleinschalige lokale landbouw beschermd, omdat deze veelal met lage inputs van chemicaliën en met behoud van het karakteristieke landschap produceert. De fouten die gemaakt zijn tijdens de schaalvergroting in West-Europa mogen niet nogmaals gemaakt worden. Hiertoe dienen dus dezelfde kostendekkende prijs en vergoedingen voor groene diensten worden betaald, als aan boeren in de huidige EU-lidstaten.
Toelichting: De uitbreiding zal, als er geen afdoende maatregelen genomen worden, gepaard gaan met een groot verlies aan kleine landbouwbedrijven en dus werkgelegenheid. Vooral in de landbouw zal dit betekenen dat nu kleinschalige biologische landbouw wordt vervangen door grootschalige milieuvervuilende landbouw die niets overlaat van het huidige landschap en de leefbaarheid van het platteland ernstig bedreigt. Ook zal dit een trek van boeren naar de stad en naar westerse EU-landen betekenen, omdat landen als Polen te maken hebben met een werkloosheid van 18%.

• Basisbehoeftes als (voedsel zie vorige punt), drinkwater- en energievoorziening, zorg, huisvesting en onderwijs blijven een zaak van nationale overheden, en moeten dus niet worden geprivatiseerd en in het ergste geval worden geleverd door multinationals. Deze diensten worden dus ook niet geliberaliseerd via een nieuw akkoord binnen de WTO; het zogenaamde GATS-verdrag.
Toelichting: Binnen nationaal en internationaal beleid overheerst het neoliberalisme. Deze maatschappijvisie heeft er toe geleid dat steeds meer basisbehoeftes zouden moeten worden geleverd door de markt, in plaats van als publieke dienstverlening door de overheid. Dit heeft onder andere tot gevolg dat de armste mensen met minder koopkracht steeds minder toegang krijgen tot deze basisbehoeftes.
Voorbeelden:
* Door de privatisering van woningbouwcooperaties, worden mensen in laagste inkomensklassen gedwongen om hun goedkope huurhuizen te verlaten in verband met stadsvernieuwing. Voor de winst nastrevende woningbouwcooperaties zijn koophuizen voor de middenklasse namelijk interessanter dan de (lage) huur van de laagste inkomensklassen. De verloedering die aan sloop vooraf gaat en leidt tot criminaliteit in deze woonwijken, is een direct gevolg van neoliberaal beleid niet van te weinig politie op straat.
* Mensen in Bolivia kregen als gevolg van Wereldbankbeleid die leiden tot privatisering van de drinkwatervoorziening, te maken met driemaal hogere waterprijzen. Dit was voor de armste bevolking niet meer te betalen, zodat men terecht in opstand kwam.
* Door de liberalisering van de energiemarkt hebben we tegenwoordig te maken met kernenenergiestroom uit Frankrijk en bruinkoolstroom uit Duitsland. Er is hierdoor ook geen doelstelling om groene stroom in eigen land op te wekken.
* Binnen de gezondheidszorg zouden mensen verschillende behoeftes hebben, daardoor zou marktwerking een vooruitgang bieden. De uitwerking hiervan betekent echter dat de laagste inkomensklassen meer geld kwijt zijn aan ziektekostenverzekeringen. Naar mijn mening hebben alle mensen echter behoefte aan dezelfde gezondheidszorg (met uitzondering van facelifts en dergelijke), die door de overheid geleverd dient te worden en betaalbaar moet zijn voor iedereen. De sterkste schouders dienen hierbij de zwaarste lasten te dragen.

• De WTO wordt niet uitgebreid met nieuwe onderwerpen op gebied van mededinging en overheidsaanbestedingen. Technische assistentie van ontwikkelingslanden bij het navolgen van WTO-afspraken gebeurt door onafhankelijke VN-adviseurs, dus niet op de huidige manier waarbij bepaalde zaken aan landen worden opgelegd.

Internationale solidariteit en conflictpreventie

• Nederland steunt niet langer de internationale coalitie tegen het terrorisme in de huidige vorm. Hierdoor worden namelijk (linkse) oppositieleden, gematigde moslims en leden van etnische minderheden opgepakt onder het mom van terrrorismebestrijding. Dit leidt tot meer haat en meer terrorisme. Ook leidt de VS en niet de VN deze coalitie, waardoor haar economisch eigenbelang maar ook van andere westerse landen prefaleert boven internationale mensenrechten-, sociale - en milieuverdragen. (Zie ook de ingediende motie op het GroenLinks-congres van januari 2002, bij 'Artikelen'.)

• Het Heavily Indebted Poor Countries-initiatief wordt flink uitgebreid zodat meer landen voor schuldverlichting in aanmerking komen, voor een groter aandeel van hun schuldenlast, in een sneller tempo en zonder voorwaarden zoals gebruikelijk in Structurele Aanpassings Programma's. De vrijkomende gelden moeten wel worden ingezet in armoedebestrijding en een duurzame ontwikkeling.'
Toelichting: Het huidige HIPC-initiatief betreft slechts een klein aantal landen, waardoor de armsten in landen als Brazilië en India hier niets van merken. Daarnaast wordt slechts een klein deel van de schuld kwijt gescholden in een veel te langzaam tempo. Soms wordt slechts het rentepercentage verlaagd. Ook moet men om voor schuldverlichting in aanmerking te komen voldoen aan SAP's, waarvan de nadelen inmiddels wel bekend zijn voor armoedebestrijding.

• Exportkredieten aan Nederlandse bedrijven worden alleen nog maar verschaft indien men ontwikkelingsrelevante goederen of diensten exporteert, die bijdragen aan een duurzame ontwikkeling. Tevens dient de Kamer inzicht te krijgen in de transacties waarbij exportkredieten zijn verstrekt.
Toelichting: Het is een schande dat de schuldenlasten van ontwikkelingslanden nog steeds oplopen via exportkredieten, wanneer deze producten en diensten betreffen die niet bijdragen aan een duurzame ontwikkeling van de ontwikkelingslanden. Alleen het bedrijfsleven in de ontwikkelde landen profiteert hiervan.

• Om de slagvaardigheid van de VN te vergroten ten opzichte van organisaties als WTO, IMF en Wereldbank krijgt de Algemene Vergadering de bevoegdheid om economische sancties op te leggen, als internationale verdragen niet worden nageleefd.
Toelichting: Juist het ontbreken van deze sanctiemogelijkheid beperkt de daadkracht van de VN ten opzichte van bijvoorbeeld de WTO die deze bevoegdheid wel heeft

• De Wereldbank stopt met het financieren van projecten die niet voldoen aan duurzaamheidseisen en armoedebestrijding, onder meer in de mijnbouw, fossiele brandstofwinning, exportlandbouw en waterdamprojecten.
Toelichting: Doordat de Wereldbank leningen verstrekt in deze vaak desastreuze projecten voor lokale bevolking en natuur, worden private banken en multinationals gestimuleerd ook aan deze projecten deel te nemen. Vaak is deelname van de Wereldbank zelfs voorwaarde voor hun deelname. In plaats van bij te dragen aan armoedebestrijding werken deze projecten armoede vaak in de hand doordat de plaatselijke bevolking gedwongen wordt haar grondgebied te verlaten, en zich in sloppenwijken of (voormalige) natuurgebieden te vestigen.

• Toegang voor ontwikkelingslanden tot de westerse markten moet zich meer richten op bewerkte producten. Juist deze producten leveren door hun hogere toegevoegde waarde een hogere bijdrage aan de lokale economieën dan producten in de primaire sector.
Toelichting: Deze landen hebben juist in deze bewerkte producten een concurrentievoordeel door hun lage loonkosten. De markten voor juist deze producten worden afgeschermd door de westerse landen, uit angst werkgelegenheid te verliezen. Ook hebben ontwikkelingslanden al jaren te maken met een ruilvoetverslechtering, zij krijgen lage prijzen voor hun primaire producten en moeten steeds meer betalen voor door hen geïmporteerde bewerkte producten.

• De conditie binnen Structurele Aanpassingsprogramma's van de Wereldbank en het IMF dat ontwikkelingslanden hun markt niet mogen afschermen tegen buitenlandse concurrentie, verdwijnt.
Toelichting: Noordelijke landen hebben economisch kunnen groeien doordat zij wel hun eigen markten en industrie konden afschermen tegen buitenlandse concurrentie. Dit gebeurt nog steeds overigens. Ontwikkelingslanden die onder invloed van Structurele Aanpassings Programma's van Wereldbank en IMF staan worden echter gedwongen hun markten open te stellen voor westerse producten.

• GroenLinks erkent dat een duurzame ontwikkeling waarbij recht gedaan wordt aan economische, sociale, culturele en milieubelangen de beste waarborg is om conflicten te voorkomen.
Toelichting: De basis voor conflictpreventie is een duurzame ontwikkeling. Door dit te erkennen kan gewerkt worden aan een coherent en consistent conflictpreventiebeleid.

• Nederland ratificeert alle internationale verdragen die afgesloten zijn binnen de VN, tevens stimuleert zij andere EU-lidstaten om hetzelfde te doen.
Toelichting: Verdragen zijn er om nageleefd te worden. Op dit moment gebeurt dit nog veel te weinig. Zo heeft Nederland pas recent het Kyoto-protocol geratificeerd.